‘De erfenis bewaren of vruchtbaar maken?’

Henri van Praag’s oproep aan de Kerk (1949-1950) en de liturgische keuzes na Nostra Aetate

Zestig jaar Nostra Aetate (1965-2025): een moment van herbezinning

Op 28 oktober 1965 markeerde de pauselijke verklaring Nostra Aetate een historische ommekeer. Voor het eerst erkende de rooms-katholieke Kerk officieel de blijvende geldigheid van Gods verbond met het joodse volk, verwierp zij de vervangingstheologie, en riep zij op tot dialoog en wederzijds respect. Na bijna tweeduizend jaar christelijke vijandigheid jegens het jodendom – culminerend in de Shoah – leek dit het begin van een nieuwe weg.

Zestig jaar later, in deze kerstperiode van 2025, dringt de vraag zich op: waar staat de Kerk vandaag? Toen Andrea Bauer onlangs reflecteerde op de huidige staat van joods-christelijke verhoudingen, raakte zij een pijnlijke zenuw. Velen die al decennia betrokken zijn bij deze dialoog herkennen wat zij aanvoelt: dat delen van de Kerk in oude reflexen vervallen – niet in openlijke vijandigheid, maar in stilzwijgen. En stilzwijgen is in de geschiedenis nooit onschuldig geweest.

Nu we de geboorte van Jezus vieren, is het des te pijnlijker om vast te stellen dat zijn joodse identiteit in hedendaagse discussies steeds vager wordt. Wanneer een vorige paus een keffiyeh in de kerststal legt, wanneer Jezus in bepaalde kringen eerder als “Palestijn” dan als Jood wordt gepresenteerd, rijst de vraag of de belofte van Nostra Aetate werkelijk is ingelost.

Die vraag wordt urgenter als we ontdekken wat er gebeurde op 1 januari 1970 – slechts vier jaar na Nostra Aetate. Maar om die paradox te begrijpen, moeten we eerst luisteren naar een joodse stem uit 1949.


1949: “De Kerk is het apostolaat zelf”

Direct na de Holocaust, in 1949, schreef Henri van Praag (1916-1988), die de dialoog tussen Israël en de Kerk in Nederland op gang bracht –  zelf een overlevende van de Shoah – het artikel ‘Het teken in Israël’. Hierin formuleerde hij een visie op de christelijke Kerk die noch beschuldigend noch vermanend was, maar theologisch constructief. Van Praag pleitte niet voor bezinning op schuld of stilstand bij verdriet, maar voor dynamiek en vernieuwing:

“De Kerk is niet de erfgename der apostelen, zij is het apostolaat zelve. Het gaat er niet om de erfenis van Jezus te verdelen in duizend sloten, maar te woekeren met de talenten.”

Van Praag maakte een scherp onderscheid tussen passief erfgenaam zijn en actief voortzetter zijn. De Kerk is volgens hem geen museum dat een historische erfenis beheert, maar de levende voortzetting van de apostolische zending – het ‘uitgezonden zijn’ dat de eerste leerlingen van Jezus kenmerkte. Zijn waarschuwing tegen het “verdelen in duizend sloten” lijkt zowel de institutionele versnippering van het christendom te treffen als de neiging tot bureaucratisering van wat levend zou moeten blijven.

De verwijzing naar de parabel van de talenten (Mattheüs 25) benadrukt wat Van Praag essentieel vindt: het gaat erom het ontvangene actief te vermeerderen en vruchtbaar te maken, niet om het angstig te bewaren of weg te bergen. Voor 1949 is deze oproep bijzonder: direct na de Holocaust roept een joodse denker de christelijke Kerk op tot hernieuwing, dynamiek en eenheid. Het markeert het begin van wat Van Praag’s levenslange project zou worden: een dialoog tussen Kerk en Israël waarin beide partijen elkaar niet als rivalen zien, maar als partners in een grotere roeping.


1950: De drieslag geboorte-besnijdenis-doop

Een jaar later, in december 1950, werkte Van Praag deze visie verder uit in ‘De zin van het Kerstfeest’. Daarin schetst hij een theologische lijn die de verbondenheid tussen jodendom en christendom zichtbaar zou moeten maken in de liturgische cyclus. Voor Van Praag vormden drie momenten in Jezus’ leven een onlosmakelijke keten:

Geboorte (Kerstmis, 25 december) – de natuurlijke komst van de Messias
Besnijdenis (de achtste dag, 1 januari) – zijn opname in het verbond van Abraham
Doop (later) – zijn wedergeboorte uit de heilige geest

Van Praag verbindt deze drie momenten met drie dimensies van verlossing, die hij benoemt als: “Men kan ook zeggen: geboorte, uitverkiezing, wedergeboorte. Hierin wordt de dood overwonnen.” Hij legt uit:

“In het leven van Jezus worden deze drie heilsfeiten vooreerst zichtbaar als geboorte, besnijdenis en doop. De besnijdenis betekent hier: God vraagt de levende, niet de dode zoon (Abraham en Isaac). Het wonder der uitverkiezing is Pasen: de engel des doods gaat voorbij. Dat is het oerfeit van Israëls behoud.”

Van Praag zag in de acht dagen van Chanoeka een krachtig symbool om die verbondenheid tussen geboorte en besnijdenis te tonen. Zou de achtarmige kandelaar van het Chanoekahfeest, waarvan elke dag een kaars wordt aangestoken, niet een mooiere samenhang tussen Kerstmis en Nieuwjaar scheppen dan de Kerstboom?” Net zoals Chanoeka acht dagen telt, zou Nieuwjaar – als achtste dag na Kerstmis – een brug kunnen slaan tussen geboorte en verbond. De negende kaars op de menorah, de sjamasj (dienaar), herinnert ons eraan dat licht altijd gedeeld wordt: het verbindt, het dient, het vermenigvuldigt.

Van Praag’s theologische gedachtegang nader bekeken

Van Praag’s redenering vraagt enige toelichting, omdat hij hier verschillende bijbelse tradities met elkaar verweven presenteert:

De besnijdenis is het teken van het verbond dat God met Abraham sloot (Genesis 17). Maar Van Praag verbindt dit met het verhaal van de Akedah – de binding van Isaak (Genesis 22) – waar God Abraham vraagt zijn zoon te offeren, maar uiteindelijk een ram in de plaats geeft. “God vraagt de levende, niet de dode zoon.” Besnijdenis wordt zo het teken dat God zijn volk niet offert, maar uitkiest en nodig heeft om zijn werk op aarde te realiseren — een roeping waarin Jezus als eersteling van de Messiaanse tijd een beslissende rol speelt.

Het wonder der uitverkiezing is Pasen – hiermee verwijst Van Praag naar het oerverhaal van Pesach (Exodus 12). Toen God de eerstgeborenen van Egypte trof, ging de engel des doods voorbij aan de huizen van de Israëlieten die hun deurposten met bloed hadden gemerkt. Van Praag noemt dit “het oerfeit van Israëls behoud” en het “eerste gebod en belofte” volgens de joodse indeling van de Tien Geboden – die begint met: “Ik ben de HEER uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis, heb geleid.”

De doop tenslotte is de wedergeboorte uit de heilige geest – de voorafschaduwing van Pasen en Pinksteren. Van Praag schrijft:

“Wie de geboorte van Jezus niet in samenhang ziet met besnijdenis en doop, ziet ook niet de samenhang met Pasen en Pinksteren.”

Voor Van Praag is deze drieslag essentieel om te begrijpen dat Jezus niet alleen mens is (geboorte), maar ook Jood (besnijdenis), en nieuwe mens/Christen (doop). Hij constateert met spijt:

“De volkeren willen echter niet verder gaan dan het Abrahamitisch verbond. Ze zien niet dat Jezus behalve mens ook Jood en Christen (nieuwe mens) is. Daarom is de zin van het Christelijke Nieuwjaar (circumcisiefeest) volkomen verloren gegaan.”


1965: De belofte van Nostra Aetate

Vijftien jaar later leek Van Praag’s hoop bewaarheid te worden. Nostra Aetate (1965) erkende precies wat Van Praag in 1950 had benadrukt: het christendom is onlosmakelijk verbonden met het jodendom, joden blijven Gods uitverkoren volk, en de joodse wortels van het christendom moeten worden erkend en gevierd. De verklaring was revolutionair en werd gepresenteerd als een fundamentele breuk met eeuwen van anti-joods denken.

Het document had een lange voorgeschiedenis. Paus Johannes XXIII was geraakt door het getuigenis van de joodse historicus Jules Isaac, die na de Shoah de christelijke wortels van antisemitisme had blootgelegd. De paus wilde een Kerk die joden niet langer zag als object van bekering, maar als partners in geloof en waardigheid. Nostra Aetate was het resultaat van deze morele herbronning.


1969: Een opmerkelijke liturgische keuze

Slechts vier jaar na Nostra Aetate vond een ingrijpende liturgische hervorming plaats. In het kader van de vernieuwingen na Vaticanum II verschenen in 1969-1970 het nieuwe Lectionarium en het herziene Romeins Missaal onder verantwoordelijkheid van Paus Paulus VI. De officiële doelen waren vereenvoudiging, het weglaten van “verdubbelingen en vage toevoegingen”, en een terugkeer naar “oudere Romeinse tradities”.

In deze hervorming werd het Feest van de Besnijdenis des Heren (Circumcisio Domini) afgeschaft. De officiële formulering in het Missaal van 1970 luidt:

“1 januari, de Octaafdag van de Geboorte des Heren, is het Hoogfeest van Maria, de Heilige Moeder Gods, en tevens de gedachtenis van het toekennen van de Allerheiligste Naam van Jezus.”

De feiten:

Wat verdween:

  • Expliciete viering van Jezus’ besnijdenis als joods ritueel
  • Nadruk op zijn onderwerping aan de Tora
  • De verbinding met het verbond van Abraham
  • Het liturgische moment dat zijn jodenschap het meest concreet vierde

Wat kwam ervoor in de plaats:

  • Hoogfeest van Maria als Theotokos (Moeder van God)
  • Een mariologische verschuiving
  • Slechts een “gedachtenis” (geen hoogfeest) van de naamgeving

In 2002 werd het Feest van de Heilige Naam van Jezus hersteld, maar op 3 januari (niet 1 januari) en als “optionele gedachtenis” (niet als hoogfeest). De besnijdenis zelf blijft afwezig uit de reguliere liturgische kalender.

De theologische betekenis van deze verschuiving

De vervanging van het Besnijdenisfeest door het Hoogfeest van Maria als Theotokos (letterlijk: Goddrager, Moeder van God) is meer dan een liturgische herschikking. Het bevestigt een  theologisch concept dat niet alleen moeilijk ligt bij joden, maar evenzeer bij protestanten en moslims (die het als blasfemie kunnen beschouwen).

Door op 1 januari niet langer Jezus’ concrete opname in het joodse verbondsvolk te vieren, maar Maria’s goddelijk moederschap, verschuift de nadruk van zijn menselijke en joodse identiteit naar zijn goddelijkheid via een mariologische omweg. Dit is precies wat Van Praag in 1950 vreesde: “De volkeren willen echter niet verder gaan dan het Abrahamitisch verbond. Ze zien niet dat Jezus behalve mens ook Jood en Christen (nieuwe mens) is.”


Het contrast met andere christelijke tradities

Opvallend is dat lutherse, anglicaanse en oosters-orthodoxe kerken het Besnijdenisfeest wel hebben behouden. Lutheranen vieren tot vandaag het Feest van de Naam en Besnijdenis van Jezus, Aglicanen “The Naming and Circumcision of Jesus“, en de oosters-orthodoxe traditie heeft het feest op 1 januari, het Feest van de Besnijdenis van Jezus gehandhaafd en vieren het met een bijzondere Nachtwake (All-Night Vigil).

Martin Luther predikte uitgebreid over dit feest. Lutherse gezangboeken bevatten speciale hymnes ervoor. Een lutherse preek formuleert de theologische betekenis aldus:

“Christ has received the mark of law that we might be marked with the gospel… Already here, in his infancy, Christ sheds blood on our behalf.”

Deze tradities benadrukken Jezus’ onderwerping aan de joodse wet, zijn volledige menselijkheid, en de eerste bloedvergieting als begin van het verlossingsproces – precies de elementen die Van Praag in 1950 als cruciaal had aangemerkt voor het behoud van de verbinding tussen jodendom en christendom.

Een belangrijke historische nuance

Het moet gezegd: de liturgische aanwezigheid van het Besnijdenisfeest in zowel katholieke als protestantse tradities heeft het christelijk antisemitisme niet kunnen voorkomen. Het antisemitisme dat in Duitsland tot de Shoah leidde, ontwikkelde zich in een diep christelijk milieu – zowel katholiek als protestants. Toen de historicus Hans Jansen zijn boek Christelijke theologie na Auschwitz schreef, voornamelijk gebaseerd op katholieke kerkelijke documenten, wees Van Praag er nadrukkelijk op dat dit niet de indruk mocht wekken dat protestanten vrijuit gingen. Ook Luther’s geschriften bevatten scherp anti-joods denken.

De aanwezigheid van een liturgisch feest is dus op zichzelf geen garantie voor een gezonde verhouding tot het jodendom. Maar het afschaffen ervan – juist in de periode waarin men officieel de joodse wortels wilde herontdekken – is een stap in de verkeerde richting.


Vragen bij een opmerkelijke keuze

Het Besnijdenisfeest was altijd deel geweest van de liturgische kalender – sinds de Middeleeuwen, door Reformatie en Contrareformatie heen. Het afschaffen ervan in 1969 is geen kwestie van “angst voor judaïsering”, maar een bewuste keuze om Jezus’ joodsheid verder te verdoezelen. Wat eeuwenlang vanzelfsprekend was – de viering van zijn opname in het verbond van Abraham – werd geschrapt op het moment dat de Kerk officieel haar band met het jodendom wilde versterken.

De timing roept fundamentele vragen op. Waarom werd juist dit feest geschrapt, vier jaar na een document dat de joodse wortels wilde herontdekken? De officiële verklaring – “vereenvoudiging” en “terugkeer naar oudere tradities” – beantwoordt niet waarom andere liturgische “dubbelingen” wél bleven bestaan, en waarom de vervanging uitgerekend een mariologisch hoogfeest werd dat de nadruk verschuift van Jezus’ jodenschap naar zijn goddelijkheid.

Binnen de Kerk bestaan verschillende structuren met eigen verantwoordelijkheden en machtsterreinen. De concilievaders die Nostra Aetate formuleerden, waren niet noodzakelijk dezelfde personen als degenen die de liturgische hervormingen vormgaven. Het is mogelijk dat hier verschillende tendensen binnen de Kerk zichtbaar werden – misschien een reactionaire tegenstroom van zij die ongemakkelijk waren met de richting die Nostra Aetate insloeg.

De geschiedenis van de Kerk kent meer momenten waarin vooruitgang werd gevolgd door terugval – de “Echternacher processie” van twee stappen vooruit, één stap terug. Nostra Aetate blijft een mijlpaal, een document waarin de Kerk twee stappen in de goede richting zette. De liturgische keuze van 1969 lijkt echter een duidelijke stap terug.


Epiloog: Een onafgemaakte dialoog

Henri van Praag stierf in 1988. Hij heeft de ontwikkelingen van de laatste decennia niet meer meegemaakt. Maar zijn stem uit 1949-1950 blijft resoneren.

De vraag die Van Praag stelde – zal de Kerk haar erfenis angstig bewaken of ermee woekeren? – is zestig jaar na Nostra Aetate opnieuw actueel. De afschaffing van het Besnijdenisfeest in 1969 was geen technische aanpassing. Het was een keuze die het meest concrete teken van Jezus’ jodenschap uit de liturgische kalender verwijderde, juist in de periode waarin men officieel de joodse wortels wilde herontdekken.

Of deze keuze een bewuste reactie was tegen Nostra Aetate, het resultaat van interne machtsstrijd, of een onbedoeld gevolg van liturgische “vereenvoudiging”, blijft een open vraag die nader historisch onderzoek verdient. Wat vaststaat is dat andere christelijke tradities wél kozen voor behoud van dit feest – met als motivatie precies wat Van Praag had benadrukt: het belang van continuïteit met het jodendom.

Vandaag, in een tijd waarin Jezus’ joodse identiteit opnieuw wordt uitgewist of vervaagd, zijn Van Praag’s woorden een herinnering aan wat op het spel staat. De vraag is niet alleen wat de Kerk zestig jaar geleden besloot, maar wat zij vandaag kiest: de erfenis bewaren, of ermee woekeren.

Roel Paredis
Huis van Abraham
31 december 2025