In een veel gedeelde Engelstalige video stelt de Belgische filosoof Etienne Vermeersch dat het feit van slavernij op zichzelf voldoende is om zowel de christelijke als de islamitische openbaring als mensenwerk af te doen. Zijn redenering is eenvoudig en op het eerste gezicht overtuigend: als God zich werkelijk geopenbaard heeft, dan zou die openbaring slavernij onmiddellijk en ondubbelzinnig hebben veroordeeld. Omdat dat niet is gebeurd — integendeel, slavernij werd eeuwenlang religieus gelegitimeerd — kan er volgens hem geen sprake zijn van een goddelijke openbaring.
Het argument is scherp, moreel geladen en sluit aan bij hedendaagse gevoeligheden rond kolonialisme en westerse onderdrukking. Toch rust het op een aanname die zelden expliciet wordt gemaakt: een zeer specifiek begrip van wat openbaring zou moeten zijn.
Juist op dat punt biedt Henri van Praag in “De sporen van Israël in het Westen”[1] een fundamenteel ander perspectief. “
Een statisch versus een historisch begrip van openbaring
Vermeersch vertrekt impliciet van een statisch model van openbaring:
- openbaring is een tijdloze morele code,
- in één keer gegeven,
- onmiddellijk toepasbaar,
- en moreel transparant volgens hedendaagse maatstaven.
Binnen dat model is zijn conclusie logisch: geen expliciet verbod op slavernij = geen openbaring.
Van Praag denkt radicaal anders. In zijn analyse beschrijft hij openbaring niet als een moreel eindpunt, maar als een historisch leerproces. Openbaring is geen kant-en-klare ethiek, maar een weg waarop mensen langzaam leren wat menswaardigheid betekent, vaak tegen de weerbarstigheid van hun eigen sociale en economische structuren in.
Slavernij is in die visie geen bewijs tegen openbaring, maar een toetssteen: laat de bijbelse traditie historisch gezien een beweging zien weg van slavernij, of niet?
Van Praag meent van wel — en dat laat zich helder tonen aan de hand van drie momenten.
Drie historische momenten
1. Philo van Alexandrië: slavernij on-natuurlijk gemaakt
In de eerste eeuw van onze jaartelling leefde Philo of Alexandria, een joodse denker in de Grieks-Romeinse wereld. Slavernij was toen een vanzelfsprekend fundament van de samenleving. Aristoteles had haar zelfs filosofisch gelegitimeerd: sommige mensen zouden “van nature” slaaf zijn.
Philo doorbrak dit kader met een eenvoudige maar radicale stelling: Niemand wordt als slaaf geboren; allen zijn vrij van nature.
Hij riep niet op tot onmiddellijke afschaffing – dat zou historisch ondenkbaar zijn geweest – maar hij ontnam slavernij haar natuurlijke rechtvaardiging. Slavernij werd niet langer gezien als orde van de schepping, maar als gevolg van menselijke machtsverhoudingen.
Dat is een beslissende verschuiving. Waar slavernij haar vanzelfsprekendheid verliest, wordt zij moreel problematisch. Hier wordt geen wet uitgevaardigd, maar een moreel principe geformuleerd dat pas later zijn volle consequenties zal krijgen.
Ironisch genoeg beroept Vermeersch zich zelf op Philo. Daarmee gebruikt hij een vrucht van het bijbelse denkproces tegen de boom die haar heeft voortgebracht.
2. Jacob van Maerlant: ongelijkheid wordt een vraag
In de dertiende eeuw stelt de christelijke dichter Jacob van Maerlant een vraag die op het eerste gezicht eenvoudig klinkt, maar in zijn context explosief is: Waarom worden mensen ongelijk geboren, als zij allen van Adam afstammen?
De feodale orde was toen diep verankerd. Heren en horigen golden als gegeven. Maar binnen het bijbelse scheppingsverhaal — één oorsprong, één mensheid — begint die orde te wringen.
Van Maerlant is geen revolutionair. Hij schaft geen systemen af. Maar hij verwoordt een spanning die zonder de bijbelse traditie nauwelijks denkbaar is: hoe kan fundamentele gelijkheid samengaan met structurele ongelijkheid?
Wat hier gebeurt, is cruciaal voor Van Praags betoog: openbaring werkt niet door onmiddellijke afkondiging, maar door het moreel problematiseren van wat ooit vanzelfsprekend was.
3. Wilberforce en Rothschild: het moment van onomkeerbaarheid
De derde stap in dit proces ligt in de negentiende eeuw, wanneer slavernij voor het eerst niet alleen moreel wordt bestreden, maar ook juridisch wordt afgeschaft. In het Britse rijk gebeurde dat met de Slavery Abolition Act van 1833. Daarmee verklaarde een wereldrijk slavernij als instituut onaanvaardbaar.
De morele en politieke gangmaker achter dit proces was William Wilberforce, die zich vanuit een diep christelijk geïnspireerde overtuiging decennialang had ingezet voor de afschaffing van eerst de slavenhandel en vervolgens de slavernij zelf. Maar moreel inzicht alleen volstaat niet. Om de afschaffing uitvoerbaar te maken, koos de regering voor een controversiële maar effectieve oplossing: slavenhouders werden financieel gecompenseerd.
Een centrale rol in deze operatie speelde Nathan Mayer Rothschild, niet als geldschieter uit eigen vermogen, maar als financiële architect van de staatslening. Via een door hem georganiseerd syndicaat werd het grootste deel van de lening onderschreven en op de markt geplaatst, waardoor de staat verzekerd was van de nodige middelen.
Henri van Praag benadrukt het pragmatische karakter van deze aanpak: niet omdat openbaring plots iets nieuws zegt, maar omdat zij lang genoeg heeft ingewerkt in het morele bewustzijn van de samenleving, wordt afschaffing hier nu praktisch mogelijk gemaakt.
Wat Vermeersch mist
Vermeersch heeft gelijk dat slavernij eeuwenlang religieus gelegitimeerd werd. Dat mag niet worden weggepoetst. Maar hij trekt daaruit een conclusie die alleen houdbaar is als men openbaring begrijpt als een statisch moreel handboek.
Van Praag laat iets anders zien: de bijbelse traditie legitimeert slavernij niet als ideaal, maar ondergraaft haar op lange termijn. Zij ontneemt haar natuurlijke status, maakt haar moreel problematisch en draagt bij aan een historische ontwikkeling waarin slavernij uiteindelijk onaanvaardbaar wordt.
Wat Vermeersch als falen van openbaring beschouwt, is in deze lezing juist haar historische werking.
Slot: waarom dit vandaag telt
In een tijd waarin religie vaak wordt voorgesteld als obstakel voor emancipatie, is dit onderscheid cruciaal. Niet elke religieuze houding is bevrijdend. Maar evenmin is elke vorm van emancipatie denkbaar zonder het morele erfgoed van de bijbelse traditie.
Slavernij is hier geen zijthema, maar een lakmoesproef. Zij toont hoe moreel inzicht niet uit het niets ontstaat, maar groeit — langzaam, conflictueus, historisch.
Dat besef maakt het mogelijk om vandaag opnieuw het gesprek aan te gaan tussen gelovigen en vrijzinnigen, zonder elkaar te overdonderen met absolute claims, maar met oog voor de lange weg waarop morele waarheid zich ontvouwt.
[1] In de Waagschaal (Nederlands theologisch tijdschrift), 1951
Een gedachte over “Slavernij en openbaring. Waarom Etienne Vermeersch en Henri van Praag langs elkaar heen spreken.”
Reacties zijn gesloten.